GeschiedenisWij zijn trots op ons mooie pand en laten u door middel van deze informatie kennis maken met de geschiedenis van Hotel Bon’Aparte, voorheen bekend onder de naam de Dolle Hoed. In een oud belastingboek, aan het eind van de 14e eeuw wordt er voor het eerst melding gemaakt van het goed Boevink, zoals het erf toentertijd heette. Pas in de 17e eeuw komt volgens de archieven de naam Dollen Hoed voor het eerst naar voren. Benaming Dollehoed Hoe kwam men aan de naam Dollehoed? De naam zou ontleend zijn aan de zogenaamde “brulfteneugers” die met linten versierde hoeden of petten droegen en aldus uitgedost de gasten met een berijmde aanspraak tot het bruiloftsfeest uitnodigden “uut koezes leppen” om vervolgens de oude herberg aan te doen. Ook in de oude herberg zelf werden volgens overlevering bruiloftsfeesten gegeven. Die bruiloftsfeesten werden meestal enige tijd na het huwelijk gevierd met krentenbrood, stokvis, rijstebrij en natuurlijk de nodige spiritualiën. Het was enige tijd gebruikelijk dat iedere gast een vork, lepel, kopje en brood diende mee te nemen. Een andere verklaring is dat de naam herinnert aan de “momusmuts of zotskap” (momus = spot, zotskap = kap met bellen) die men opgezet kreeg bij het kegelen wanneer men poedelde. Hoe dan ook, beide verklaringen klinken vrij aannemelijk. De oude Dollehoed Het is niet bekend hoe oud de uitspanning precies is. Volgens het archief was het oorspronkelijk een boerderij met daaraan verbonden een eenvoudige herberg. De eerste kadastrale verkenningen omstreeks 1830 wijzen uit dat het complex, huis en erf 9,70 are omvatte, sectie H. no. 1111. Eigenaar was toen de Lochemse koopman Jan Willem Joosten. Omstreeks 1840 had Winand Carel Hugo Staring, landbouwkundige, het in zijn bezit. Enkele jaren later behoorde het een familielid van hem, te weten Winand Carel Arnoldus Staring te Zutphen. Zelf woonden ze er niet maar er waren pachters aangesteld. In de periode 1844-1882 werd de boerderij verbouwd en gesplitst. Het complex werd iets kleiner, namelijk 9,20 are, sectie N. no. 2063 (huis en erf). Daarnaast kwam een huisje sectie N. no. 2062. De eerste volkstellingenlijsten geven aan dat in de periode 1795-1813 er als hoofdbewoner een zeker Jan Willen Runneboom, geboren 25 maart 1759, de scepter zwaaide. Hij was gehuwd met Derksen Nijhof, geboren 9 maart 1755. Hun dochter Garretje, geboren 1787, overleden 1861, huwde in 1808 met Albert Weijenberg. In 1812, toen officieel het bevolkingsregister werd ingevoerd, nam deze de naam Albert Keppels aan. Uit het huwelijk van Garretje en Albert kwamen veel kinderen voort die de naam Keppels hoog hielden. In 1829 bewoonden twaalf mensen de boerderij, waaronder de al genoemde Albert Keppels en zijn vrouw Garretje Keppels-Runneboom. Ook de oude Jan Runneboom, toen 70 jaar oud, met zijn vrouw Derksen Runneboom-Nijhof, 74 jaar, waren er in huis. Verder nog wat familieleden, een dienstmeid en een knecht. Op 4 mei 1855 vestigde zich Hendrik Schoneveld op de herberg-boerderij. Schoneveld was geboren op 29 november 1824; hij huwde Anneke Lindeboom, de eerste vrouw van ene Jan Willem Keppels. De nog in leven zijnde kinderen van de inmiddels overleden Albert Keppels en Garretje Runneboom nam hij als stiefkinderen op. Tien jaar woonde de familie Schoneveld met de aangenomen verwanten op de Dollehoed. Op 24 februari 1865 vertrok men naar Borculo. Naar deze familie is later de Schoneveldsedijk genoemd. Deze dijk, heel lang slechts een mulle zandweg, werd verhard in 1927. Een maand na het vertrek van de Schonevelds vestigt zicht Derk Wunderink op de Dollehoed, om precies te zijn op 27 maart 1865. Wunderink werd geboren op 7 januari 1839. Hij huwde met Catrina Garritsen, geboren te Steenderen op 25 april 1843. Hun zoon Garrit Jan aanschouwde het levenslicht op 14 november 1864. De familie Wunderink gaf wat meer bekendheid aan de uitspanning. Toen het Verfraaiingsgezelschap in 1885 werd opgericht maakte Wunderink reclame in de eerste folder die deze vereniging uitgaf. Hij bezigde daarbij de naam “Hotel Wunderink”. Na 1885 kwam de toeristenstroom in deze contreien meer op gang en werd de Dollehoed geleidelijk meer bezocht. Bijna 25 jaar beheerde de familie Wunderink deze fraai gelegen onderneming. Op 22 februari 1888 legden ze het bijltje er bij neer en vertrok men naar Borculo. Van dat moment komt er veel meer duidelijkheid in de historie van de “oude Dollehoed”. Logement wordt officieel hotel Zoals vermeld was de oude Dollehoed tot begin 1888 een boerderij annex logement, een soort uitspanning met logeergelegenheid voor een paar mensen. Toen Derk Wunderink naar Borculo was vertrokken werd op 24 februari 1888 zijn plaats ingenomen door Gerrit Willem Kloosterboer uit Bathmen. Kloosterboer bleek al gauw een energieke en enthousiaste kerel te zijn. Hij pachtte het horecabedrijf en nam zich voor, er iets van te maken. Gerrit Willen en zijn echtgenote Wilhelmina verwekten een vrij grote kinderschaar waarvan Pieter Alexander geb. 8 november 1892, Henri Johan geb. 24 oktober 1896 en Gerard Willem geb. 25 november 1888 evenals hun vader later in het hotelwezen zouden terechtkomen. Toen Gerrit Willem Kloosterboer Sr. het hotel pachtte – later werd het zijn eigendom – was het eigenlijk niet veel meer dan een zeer eenvoudig logement-herberg, een soort boerenbedoening. Jarenlang was het een water- en vuurnering waar gezelschappen – vooral ’s zomers – met manden vol eetwaren, koffie, thee, enzovoort, kwamen. De kastelein had dan de eer, voor dergelijke buitenpartijen kokend water te leveren en de vuile boel op te ruimen tegen een betaling die weinig voorstelde. Bovendien werden op de picknickplaatsen papier en lege flessen achtergelaten. Vaak werden er in het wilde weg vuurtjes gestookt zodat gevaar bestond voor bos- en heidebrand. De oude Dollehoed als hotel opgeheven Pieter Alexander (1892) huwde met Adriana (Ada) Campagne uit Borculo; ze kregen twee kinderen. Om onbekende redenen vertrokken ze in 1921 naar Lochem en vestigden ze zich op de Nieuwstad. Op 1 december 1923 werd Piet zetbaas/kastelein op de Schouwburg. Henri Johan (1896) huwde op 8 mei 1925 met Marie Elisabeth Somers uit Zutphen. Ze kregen één dochter, te weten Frederica Wilhelmina geb. 16 februari 1926. Op 23 december 1926 vertrok ook deze familie naar Lochem, ze vestigden zich in de Kastanjelaan 25. Toen Pieter Alexander in 1921 naar Lochem vertrok werd de weduwe Wilhelmina Kloosterboer-Hulscher weer officieel hoofd van het bedrijf. Ze was toen 56 jaar. Ofschoon er in die tijd toch nog wel veel te doen was in en bij de Dollehoed schijnt het bedrijf financieel behoorlijk in de knoei te zijn geraakt hoewel er voordien, vooral onder de oude Kloosterboer, goud verdient leek te zijn. Uiteindelijk, in 1926, kwam het faillissement en de oude mevrouw Kloosterboer vertrok van de Dollehoed. Ze vestigde zich in een huisje iets verder op. Twee jaar later, op 6 augustus 1928, zei ze het plekje dat haar zo lief was en waar ze zo lang met haar man gewerkt had vaarwel. Als hotel hield de oude Dollehoed in 1926 op te bestaan. De nieuwe Dollehoed Met haar herinneringen aan betere tijden gaf ze na het financiële debacle de moed niet op. Zij probeerde haar zoon Gerard Willem Kloosterboer, geb. 25 november 1888, als oudste zon van het echtpaar te overreden naar de oude hotelbranche over te slappen en aldus geschiedde. Naast de oude Dollehoed bezaten de Kloosterboers nog een stuk grond, ongeveer 100 meter in de richting van Barchem. In maart 1927 begon men met de bouw van een nieuw pension-restaurant onder dezelfde naam als voorheen. Welliswaar was het een stuk kleiner dan het oude bedrijf maar aanvankelijk scheen het aardig te lukken. Moeder Wilhelmina vertrok op 6 augustus 1928 naar Apeldoorn. Ze maakte dus nog mee dat het nieuwe onderkomen op 1 mei 1928 werd geopend. Gerard Willem nam op 29 november 1928 een huishoudster in dienst, te weten Anna Margaretha Elisabeth Flöte uit Amsterdam. In 1931 trouwde hij met haar. Tot 1935 ging het goed met het bedrijf. Gerard en zijn echtgenote Anna Margaretha zorgden ervoor dat men zich kon verkwikken na een wandeling over de Lochemse berg en door de omgeving. Voor zover bekend ging het na 1935 niet meer zo goed met de hoteleigenaar. Zijn gezondheid liet te wensen over. Het werk kwam toen voornamelijk neer op zijn vrouw en af en toe assisteerden zijn broers uit Lochem hem. Op 15 juni 1935 werd Gerard in een rusthuis opgenomen. Mevrouw Kloosterboer ging toen nog enkele jaren door. Ze had evenwel de zorgen voor haar op 22 oktober 1931 geboren dochtertje. De broer van mevrouw Kloosterboer-Flöte hielp haar ook een tijdje, van 19 mei 1936 tot 16 februari 1937. De zaak was inmiddels in handen gekomen van de Hengelosche Brouwerij die daardoor een grote vinger in de pap had. De nieuwe Dollehoed gaat over naar H.J. de Graaff uit Lochem Vanaf 1 mei 1940 werd de Dollehoed geëxploiteerd door de heer H.J. de Graaff, die voordien een slagerij had in de Bierstraat in Lochem. Hij was gehuwd sinds april van dat jaar met Johanna Hendrika Reerink. Aan het hotel werd het één en ander verbouwd. Zo werd er aan de Barchemse kant een mooie serre aan toegevoegd en aan de andere kant een garage. Het geheel maakte toen een riante indruk. Dit horecabedrijf liep direct al bijzonder goed. Begin mei, op Hemelvaartsdag, enkele dagen voor de intocht van het Duitse leger, maakte de Graaff al een omzet van f 125,00, voor die tijd een bijzonder hoog bedrag. De pensionprijzen varieerden van f 3,75 tot f 4,25 per dag. Ondanks de oorlog en bezetting kwamen tot september 1944 vooral in de zomer veel dagjesmensen en toeristen naar de nieuwe Dollehoed voor rust en ontspanning. Het leek allemaal veelbelovend. Omdat reizen naar het buitenland gedurende de oorlogsjaren niet mogelijk was verbleven vooral toeristen uit het westen van het land er, soms maanden achtereen, ook omdat het er wat eten en drinken betrog heel erg goed was. In september 1944 – na Dolle Dinsdag – werden de meeste hotels in Lochem en omgeving door de Duitse bezetter in beslag genomen voor het onderbrengen van officieren en soldaten. Zo ook de Dollehoed. Het restant van een pantserdivisie bestaande uit 3 tanks met manschappen en de commandant, die gevochten hadden in Normandië bij Caen, bivakkeerden de laatste Oorlogswinter 1944-1945 in hotel en omgeving. Voornamelijk officieren – volgens tijdgenoten behoorlijk gedisciplineerd – bewoonden het. Bij hun terugtocht hadden ze kans gezien de tanks vol te laden met flessen Calvados (appeljenever) waar ze zes weken lang volop van konden genieten. Ook buurtbewoners waren tijdens gezellige avondjes die de officieren in het hotel organiseerden welkom. Na de bevrijding 1 en 2 april 1945. Het min of meer uitgewoonde hotelbedrijf, dat nog steeds eigendom was van de Hengelosche Bierbrouwerij werd na de oorlog enige tientallen jaren gerund door de familie B. Otte. De familie Otte woonde voordien tegenover het hotel in de tuinmanswoning van hotel de Lochemse Berg. Vanaf 1949 werden verschillende kleine veranderingen aan de Dollehoed aangebracht. In 1950 werd er een kamer verbouwd, in 1959 werd de keuken uitgebreid en in 1963 werd een gedeelte toegevoegd aan de eetzaal. Deze laatste verbouwing vond plaats in opdracht van de in 1958 gescheiden mevrouw Otte-Coenders. Na het vertrek van mevrouw Otte werden er door de Hengelosche Bierbrouwerij verschillende zetbazen aangesteld. Begin 1991 werd de nieuwe Dollehoed eigendom van de familie H. Eggink, die er in de afgelopen 3 jaar een gezellig onderkomen van heeft gemaakt en nu al in de verre omtrek bekend is vanwege de voortreffelijk keuken en service. Wat gebeurde er met de oude Dollehoed na 1926? Vermeld werd al da eind 1926 dankzij een edelmoedig gebaar van Dr. Van der Harst – hij had het gekocht en geschonken aan de Vereniging Pro Senectute – er een rusthuis voor gegoede bejaarden van werd gemaakt, de zogenaamde P.W.Jansen Stichting, in de volksmond P.W. Jansenhuis genoemd. Toen de pers op 16 november 1926 vermeldde dat de Dollehoed, waar de familie Kloosterboer jarenlang de scepter had gezwaaid, aan Pro Senectute werd overgedragen waren daar de Lochemers volstrekt niet blij mee. Ook de redacteur van de Lochemse Courant liet er zich niet erg lovend over uit. Een citaat uit zijn commentaar: “Het valt te betreuren dat uit een oogpunt van algemeen belang deze zo bekende pleisterplaats waarmee het Vreemdelingenverkeer van Lochem zo nauw verbonden is verdwijnt. Het had van ouds de grootste aantrekkingskracht voor de vreemdeling en vooral uit Salland en Twente was er steeds een stroom van bezoekers die naar Lochem gingen om bij de Dollehoed uit te rusten en zich te verkwikken. Niet gemakkelijk zal er dicht in de buurt een meer geschikte plaats gevonden worden voor een daartoe passende gelegenheid, die daar zonder den ouden roem zoveel vreemdelingen naar Lochem zal trekken” Onze correspondent van toen zou op dat moment niet vermoed hebben dat, zoals we hebben kunnen lezen, het jaar daarop de weduwe Kloosterboer-Hulscher met haar zoon Gerard Willem als compensatie voor het verlies van het oude stekkie al bezig ging met de bouw van een nieuwe uitspanning ongeveer 100 meter verwijderd van de oude pleisterplaats. De oude herberg werd al in maart 1927 verbouwd tot rusthuis en op 25 november 1027 werd het al officieel geopend. Directrice werd mejuffrouw Goteling-Vinnes.Er was toen plaats voor 30 gasten. De totale verbouwing met de vernieuwde inventaris kostte f. 73.000,00. Behalve de directrice bestond het personeel in 1927 uit vijf dienstmeisjes en een huisknecht. Deze huisknecht, de heer G. Ribbers Sr. was al in 1910 in dienst gekomen van de oude heer Kloosterboer. Hij werd in 1953 opgevolgd door zijn zoon G. Ribbers die er bleef tot de opheffing eind 1981. Bijna 30 jaar heeft de Ribbers Jr. zich verdienstelijk gemaakt op allerlei gebied. Hij was zeer behulpzaam jegens de verschillende generaties ouderen die er in die periode woonden. Geen wonder dat de directie van het P.W. Jansenhuis bijzonder verheugd was dat deze behulpzame kracht zich bereid verklaarde zijn werkzaamheden in het nieuwe rusthuis “Tusselerhof” voort te zetten. Op 14 december van het eerste jaar werd voor het eerst Kerstfeest gevierd. Op initiatief van mevrouw Staring van “de Koppel”, presidente van de in 1925 opgerichte afdeling Lochem van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, werd de dames en heren van het P.W. Jansenhuis een Kerstfeest aangeboden. Het ging er zeer eenvoudig aan toe. Er was een zangkoortje dat Kerstliederen ten gehore bracht onder leiding van mejuffrouw Van Vollenhove en er werd een Kerstverhaal verteld. Vijf Kerstmannetjes boden versnaperingen aan bij een kopje thee. In 1937 vond er nogmaals een verbouwing plaats. Het trappenhuis werd veranderd en de kamers werden aangepast aan de eisen des tijds. Tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 blijf het vrij rustig in en om het tehuis. Alleen in de laatste Oorlogswinter werden op de boven-verdieping Duitse militairen ingekwartierd. Na de bevrijding werd het tehuis nog zo’n dertig jaar als rusthuis gebruikt. Daarna werden de senioren ondergebracht in het gloednieuwe oord de “Tusselerhof” in Lochem. Het leegstaande P.W. Jansenhuis werd nog enkele jaren voor andere doeleinden gebruikt maar kreeg in de jaren ’80 toch weer een bestemming als hotel-restaurant, maar nu met een geheel nieuwe naam: Bon’Aparte. Door enkele moderniseringen en uitbreidingen, alsmede kundige leiding, heeft het bedrijf veel allure gekregen en werd de vier-sterren status bereikt. Sinds 1 juli 2007 is het hotel in handen van Gerrit de Vries en Janine Dijkerman en hun twee dochters. |
|




